Het moet niet gekker worden: De Krankzinnigenwet van 1884 in Dordrecht



Het einde van het gesticht

Figuur 9
Figuur 9 Frederik Martin Cowan, geneesheer aan het gesticht van 1884 tot 1895 (Bron: Erfgoedcentrum DiEP, Dordrecht, inventarisnummer 552-K560)

De perikelen rond de geplande verbouwing hebben uiteindelijk een belangrijk aandeel gehad in de sluiting van het gesticht, een sluiting die overigens niet uit de lucht kwam vallen. Lang voordat de opheffing van het gesticht definitief werd, voorzag dr. Cowan al dat dit tot de mogelijkheden behoorde. Hij schreef hierover in zijn verslag over 1884: ‘Wat zal er met het Dordtsche gesticht geschieden? Zal de Gemeenteraad besluiten tot uitbreiding? Zal die Raad eerder verkiezen het alleen voor eigen behoefte te behouden? Zal hij eindelijk besluiten tot geheele opheffing? Veel is voor ieder dezer mogelijkheden te zeggen, en veel ook tegen elk daarvan.’187

Naast de verbouwing is ook onenigheid binnen het gesticht debet geweest aan de uiteindelijke sluiting. In 1892 waren er spanningen tussen de geneesheer, dr. Cowan, en de regenten van het krankzinnigengesticht. Zo bestond onenigheid over het door Cowan behandelen van externe patiënten met middelen van het gesticht – de regenten wilden dat hij hiermee zou stoppen. De geneesheer zag hierin een motie van wantrouwen en was van plan naar een andere werkkring uit te zien, waarop regenten zeiden dat ze het niet zo hadden bedoeld.188

Cowan had niet alleen onenigheid met de regenten, maar ook met de huismeester, die, zo meende de geneesheer, zijn gezag ondermijnde. Dr. Cowan werd daarom door regenten aangemaand om ‘met den huismeester, die vol ijver en toewijding is, en wiens eenige fout somtijds bestaat in wat overijling, zooveel doenlijk zamen te werken en hem tegenover het personeel meer te erkennen dan hij wel schijnt te doen, iets dat met een geringe wijziging in toon en manieren gemakkelijk te doen is’.189

Hiermee was de zaak echter niet afgedaan. In 1894 verscheen in het Weekblad van het Nederlandsch tijdschrift voor geneeskunde een artikel van de hand van dr. Cowan, waarin hij forse kritiek uitte op het bestuur van zijn gesticht. Hoewel hij het krankzinnigengesticht van Dordrecht daarin niet bij name noemde, blijkt duidelijk genoeg dat Cowan zijn pijlen daarop had gericht. Enkele passages uit het artikel geven een beeld van de onoverbrugbare kloof tussen geneesheer en bestuur van het gesticht.

‘Te betreuren valt het, dat slechts een paar van de Nederlandsche gestichten jaarlijks een uitvoerig verslag leveren […] Vooral te bejammeren voor die inrichtingen, waar domheid of bekrompenheid der besturende lichamen zulk een verslag verbieden’. Verderop schreef Cowan: ‘een college van bestuurders, regenten, of hoe de titel anders zij, […] dat er op uit is, om een gesticht tot een melkkoe te maken, dat op de uitspanningen beknibbelt, de verpleging tegenwerkt enz., mag gerust een geesel heeten’.190

Ook de huismeester moest het ontgelden: ‘Met genoegen zal men waarnemen […] dat te Meerenberg het fossiele wezen, “huismeester” genaamd, niet meer bestaat. Uit den minderen stand gerecruteerd en gewoonlijk oud politie-agenten of oud-onderofficieren, passen die heeren in den regel in de beschrijving, gegeven in I. Samuel XXV vs. 25, zijn zij spaken in het wiel en krijgen zij gewoonlijk een inbeelding, die in omgekeerde reden staat tot hun geestelijke ontwikkeling. Die lieden, die men soms ridicule dictu ook hoofd der verpleging maakt, zijn vaak de kanker eener inrichting en verlammen iedere poging om verbetering aan te brengen.’191 Mocht er nog twijfel bestaan of Cowan wel over Dordrecht sprak, dan neemt de door hem genoemde Bijbeltekst alle twijfel weg. Daarin wordt namelijk gesproken over de dwaze Nabal, en niet toevallig was dat de achternaam van de huismeester van het Dordtse gesticht.

Figuur 10
Figuur 10 De zogenoemde biggeltuin in 1882. Te zien zijn S.A. van der Chijs, geneesheer, en de huismeester, P.S.C.C. Nabal, met op de achtergrond de kamer van de geneesheer en de spreekkamer (Bron: Erfgoedcentrum DiEP, Dordrecht, inventarisnummer 552-M9996C)

De wrijving die was ontstaan tussen dr. Cowan en de regenten van het gesticht was voor laatstgenoemden aanleiding om ontslag aan te vragen. Uiteindelijk was het echter Cowan die ontslag aanvroeg; hem werd door de gemeenteraad in december 1894 eervol ontslag verleend.192 Hoe ernstig het conflict was, blijkt uit de notulen van de vergadering van 21 november 1894. Na een reeks van kritiekpunten te hebben genoemd, besloten regenten met de woorden: ‘Nog wordt besloten aan B & W te zeggen dat regenten niet wenschen met dr. Cowan in zamenkomst te worden gebracht.’193 Regenten en geneesheer konden niet meer samen door één deur. De excuusbrief die Cowan aan regenten zond, werd door hen dan ook als mosterd na de maaltijd beschouwd.194 De communicatie van regenten met de geneesheer verliep naderhand zelfs niet rechtstreeks, maar via de huismeester.195

Niet alleen de eerste geneesheer, dr. Cowan, nam ontslag. Ook de tweede geneesheer, dr. Haver Droeze, diende zijn ontslag in vanwege de aanhoudende problemen in het gesticht. Haver Droeze meende namelijk dat de medische belangen in het gesticht ondergeschikt werden gemaakt aan de huishoudelijke – een voor hem zeer onwenselijke situatie.196 En net als Cowan had ook Haver Droeze onenigheid met de regenten. Deze schreven in een brief dat de tweede geneesheer een klacht niet aan hen had voorgelegd. Had hij dit wel gedaan, dan waren regenten bereid geweest om een oplossing te zoeken, zoals zij volgens zeggen in een eerder geval ook al hadden gedaan. Haver Droeze was het met deze zienswijze echter volledig oneens, want over het door regenten aangehaalde eerdere geval schreef hij: ‘Welken steun heb ik daarbij genoten? Waar een ander, op ’t gebied van geneeskunde volslagen een onmondige, zich op mijn medisch terrein had begeven, moest ik tact genoeg bezitten dat te voorkomen! Op welke wijze? vraag ik. Voor de werkelijk verregaande onheusche bejegening behoefde geen excuus te worden gemaakt! Ieder die dit leest beoordeele zelf dit feit. Ik verlang dergelijken steun niet.’197

Haver Droeze moest niet alleen de steun van de regenten ontberen; door hun toedoen werd hij ook nog eens als onbetrouwbaar bestempeld. Zelf schreef hij daarover ‘dat de Heer W. van Schaardenburg, wethouder alhier, zich had uitgelaten dat mijn geschrift niet te vertrouwen was, want dat het feit den verpleegde R. betreffende niet naar waarheid was medegedeeld’. De wethouder had zijn oordeel al klaar na slechts één kant van het verhaal te hebben gehoord, die van de regenten. Haver Droeze ging verder: ‘Op mijne vraag hoe hier van dergelijk resultaat van een onderzoek kon sprake zijn, daar bij het door mij tot den huismeester gesprokene niemand tegenwoordig was, luidde het antwoord van den wethouder kortaf “we moeten ons houden aan wat het Collegie van Regenten zegt”.’198 Hieruit blijkt dat het gemeentebestuur van Dordrecht de kant koos van de regenten van het gesticht, waardoor Haver Droeze al bij voorbaat in het ongelijk werd gesteld.

Al deze toestanden waren vanzelfsprekend niet bevorderlijk voor een vruchtbare toekomst van het krankzinnigengesticht, en het zou dan ook gezegd kunnen worden dat de voortdurende onenigheid het einde van het gesticht inluidde. Ook in 1895 bleek weer dat de toestand van het gesticht beslist niet naar ieders wens was. In mei van dat jaar zond een opzichteres van het gesticht, mede namens enkele andere vrouwelijke personeelsleden, een brief aan de gemeenteraad met daarin het dringende verzoek om een onderzoek in te stellen naar de toestand van het gesticht.199

De zorgen van deze opzichteres en haar collegae werden door de inspectie gedeeld. Die constateerde bij een bezoek in 1895 een aantal problemen. Zo kwam het voor dat het bestuur maatregelen nam tegen de wil van de geneeskundigen in, wat volgens de inspectie zelfs al had geresulteerd in patiënten die verwondingen opliepen, al vermeldde zij niet hoe dat precies heeft kunnen gebeuren. Ook stelden de inspecteurs vast dat het bestuur regelmatig adviezen van de inspectie in de wind sloeg. De inspectie adviseerde nog, als oplossing voor de scheve verhoudingen onder het personeel, om een geneesheer aan te stellen die tevens de functie van directeur zou bekleden, maar ook dit advies bleef onopgevolgd.200

Ondanks deze problemen wilde men in het gesticht nog niet geloven aan een eventuele sluiting. Dit blijkt wel uit het onderhoud aan het gebouw, dat onverminderd doorgang vond, en uit de wens uitgesproken door de nieuwe eerste geneesheer, dr. M.B. Romeny, dat een apart lokaal voor godsdienstoefening zou worden gebouwd. Dat Romeny in het geheel niet aan sluiting dacht, blijkt voorts uit de woorden waarmee hij zijn jaarverslag over 1895 afsloot: ‘Moge onze leuze steeds blijven “Excelsior.”’201 In 1896 verwachtte Romeny ook nog steeds een goede afloop, getuige zijn woorden: ‘Gedachtig aan het woord “geduld overwint alles” hopen wij de volgende jaren veel van datgeen te zien geworden, wat door ons in het belang van het Gesticht wenschelijk, zoo niet noodzakelijk wordt geacht. Maar alles kost geld, veel geld. Waar ik echter weet, dat het beheer van dit gesticht in Uwe goede handen is, moeten wij maar op de toekomst bouwen.’202

Dat met het vertrek van Cowan geen licht aan het einde van de tunnel was verschenen, blijkt wel uit de gebeurtenissen van de jaren daarna. In 1897 kondigde Romeny aan dat hij eervol ontslag had aangevraagd. Als reden hiervoor voerde hij aan dat in het Dordtse gesticht niet kon worden voldaan aan de eisen die hij stelde aan een behoorlijke verpleging van psychiatrische patiënten.203 Hij noemde een aantal factoren die hierbij een rol speelden: al bij zijn indiensttreding constateerde hij dat het personeel niet op orde was – sommigen van hen waren te oud of verschenen zelfs regelmatig dronken op het werk. Ook het geldgebrek, evenals het feit dat de geneesheer niet tevens de functie van directeur bekleedde, verhinderde volgens Romeny een goede zorg. En over geldgebrek zei hij dat het ‘eeuwige wachtwoord in het Dordtsche Gesticht’ was: ‘“Er is geen geld voor.”’204

Bij Romeny’s aantreden in 1895 leek alles nog probleemloos te gaan verlopen. De huismeester en huismeesteres werden door regenten op het hart gedrukt om zich in alles onderworpen te tonen aan de nieuwe eerste geneesheer, en zij beloofden hieraan te zullen voldoen.205 De problemen die zouden leiden tot bovengenoemde ontslagaanvraag stapelden zich echter al snel op. Volgens regenten was Romeny zelf de veroorzaker van die problemen, door zich niet aan het huishoudelijke reglement te houden; zo verbood hij onder meer de huismeester en huismeesteres om zonder begeleiding van medisch personeel de verpleeglokalen te betreden.206

Ook nu moest de huismeester het weer ontgelden. Volgens dr. Romeny stond die namelijk aan de basis van de problemen, maar de burgemeester schaarde zich aan de zijde van regenten, die juist zeer te spreken waren over de huismeester.207 Over de eerste geneesheer zeiden zij: ‘Dr. Romenij handelt zeer onverstandig – in plaats van met den huismeester of de huismeesteres, als er iets is dat hem niet goed lijkt, spreekt hij met de keukenmeid of de linnenknecht.’208 De communicatie in het gesticht liet, na het vertrek van Cowan, derhalve nog altijd te wensen over.

In de Dordrechtsche Courant van 29 oktober 1897 zijn de gevolgen van deze wantoestanden beschreven. Dr. Romeny zou met ingang van 1 januari 1898 zijn gevraagde eervol ontslag krijgen, maar belangrijker nog, het gesticht zou worden geliquideerd. De voornaamste redenen hiervoor waren, volgens de gemeenteraad, dat het gesticht vrijwel ieder jaar met verlies draaide en dat het niet voldeed aan de eisen van een goed krankzinnigengesticht. Dit laatste had vooral te maken met het feit dat de geneesheer in Dordrecht niet tevens directeur was; volgens de Inspecteurs voor het Staatstoezicht op Krankzinnigen zou het hebben van een geneesheer-directeur cruciaal zijn om een gesticht goed te laten functioneren. Het eindoordeel van de inspecteurs was dat sluiting van het gesticht het beste zou zijn; burgemeester en wethouders van Dordrecht volgden dit advies.209

De aanloop naar de sluiting verliep echter allesbehalve vlekkeloos – op 28 december 1897 kwam het tot een uitbarsting. Het krantenartikel dat de gebeurtenissen van die dag beschreef, begon met de volgende zin: ‘Naar wij vernemen, is gisteravond in het Geneeskundig gesticht voor Krankzinnigen alhier een hevig tooneel afgespeeld.’ Het begon met een meningsverschil tussen de eerste geneesheer, dr. Romeny, en de president-regent van het gesticht, over de wijze waarop laatstgenoemde een personeelslid had bejegend. De geneesheer liet naar aanleiding daarvan weten het te betreuren ‘dat genoemde president-regent was benoemd’. Hier bleef het niet bij, want Romeny werd gesommeerd bij de regent te komen om tekst en uitleg te geven.210

Die ontmoeting liep volledig uit de hand. Romeny wilde dit verschil van mening onder zes ogen uitpraten, maar de regent handelde de zaak liever onder vier ogen af. ‘Hierop volgde tusschen de beide heeren een hevige schermutseling, waarbij de geneesheer twee vrij ernstige wonden aan ’t oog opliep.’ De krant meldde verder dat het een ernstig gevecht was dat ‘in de geneesheerskamer is geleverd, zoo zelfs dat de geneesheer “moord!” riep. Nog in de gang werd het voortgezet, waarna een paar bedienden, die toeschoten, ten slotte een einde aan de schermutseling maakten.’211 De onenigheid tussen geneesheer en regenten had geleid tot een absoluut dieptepunt in de geschiedenis van het gesticht – zij gingen letterlijk met elkaar op de vuist.

Figuur 11
Figuur 11 Een spotprent van de vechtpartij in het gesticht, verschenen in het Geïllustreerd Politienieuws van 6 januari 1898 (Bron: Erfgoedcentrum DiEP, Dordrecht, Dordracum Illustratum, inventarisnummer 551-15314)

De Inspecteurs voor het Staatstoezicht op Krankzinnigen en Krankzinnigengestichten stelden vast dat de gebeurtenissen van die dag ‘haar oorzaak vinden in denzelfden persoon, die reeds zoo herhaaldelijk de oorzaak was van stoornis in den goeden gang van zaken in dat gesticht en in de goede verhouding tusschen Heeren Regenten en geneesheren, namelijk den huismeester Nabal’. De inspecteurs meenden dat, omdat Nabal achter de rug van dr. Romeny over hem was gaan klagen bij de regenten, bij hem de oorzaak lag van de felle ruzie. Het voortdurend ‘stoken’ van Nabal was voor de inspecteurs reden om de burgemeester van Dordrecht te adviseren de huismeester te ontslaan.212 Met een strenge brief van de regenten aan Nabal werd de zaak echter afgedaan, en de huismeester zou aanblijven tot de sluiting van het gesticht.213

Daarmee waren de problemen echter nog steeds niet opgelost. Dr. Van Erp Taalman Kip, de voormalige tweede geneesheer en, na Romeny’s ontslag, waarnemend eerste geneesheer, had namelijk ook problemen met de huismeester. Deze problemen uitten zich in allerlei ergernissen, zoals blijkt uit de notulen van een regentenvergadering: ‘Nabal wordt nu in kleinigheden gezocht bijv. te dunne soep, te weinig bessensap enz., dr. Kip weet niet wat hij begint, terwijl spreker meent, dat de huismeester, als het hem ernstig wordt gezegd, wel zoo verstandig zijn zal, dat hij elk conflict vermijdt.’214

Van Erp Taalman Kip deelde de overtuiging van de inspecteurs, ‘dat verwijdering van Nabal het eenige middel is om onaangenaamheden te voorkomen’. Met het oog op de aanstaande sluiting van het gesticht wilden de regenten echter komen tot een modus vivendi, waarbij de situatie zou blijven zoals zij was. Met tegenzin ging de geneesheer hiermee akkoord, en de huismeester en huismeesteres werd nogmaals aangemaand zich te schikken naar de geneesheer. Onder die belofte bleven zij tot het einde toe aan het gesticht verbonden.215

De sluiting van het gesticht betekende het einde van een tijdperk van krankzinnigenverpleging in Dordrecht, maar luidde tegelijk een nieuw tijdperk in. Een deel van de inventaris van het gesticht werd overgenomen door personeelsleden – zo kocht een van hen de collectie boeken op, om daarmee een bibliotheek te beginnen.216 Bovendien werd een verzameling van in het gesticht aanwezige curiositeiten aan het museum van Dordrecht ter beschikking gesteld – het museum dat later zou verhuizen naar het voormalige krankzinnigengesticht.217

<< Plannen voor een verbouwing | Inhoudsopgave | Effectiviteit van de Krankzinnigenwet >>




187. DiEP, Dordrecht, Gen. Gest. voor Krankzinnigen, 22, inv. nr. 33, Verslag van den toestand van het Geneeskundig Gesticht voor Krankzinnigen te Dordrecht, over het jaar 1884.
188. DiEP, Dordrecht, Gen. Gest. voor Krankzinnigen, 22, inv. nr. 7, Notulen van de vergaderingen van regenten van het Geneeskundig Gesticht voor Krankzinnigen, 16 juli 1892.
189. Ibid., 25 januari 1893.
190. DiEP, Dordrecht, Gen. Gest. voor Krankzinnigen, 22, inv. nr. 14-2, Boekaankondiging van het jaarverslag van het gesticht Meerenberg door dr. F.M. Cowan in ‘Weekblad van het Nederlandsch tijdschrift voor geneeskunde’, 20 oktober 1894.
191. Ibid.
192. DiEP, Dordrecht, Gen. Gest. voor Krankzinnigen, 22, inv. nr. 14-2, Stukken betreffende de gezamenlijke ontslagaanvrage door regenten n.a.v. bovenstaand artikel, december 1894.
193. DiEP, Dordrecht, Gen. Gest. voor Krankzinnigen, 22, inv. nr. 7, Notulen van de vergaderingen van regenten van het Geneeskundig Gesticht voor Krankzinnigen, 21 november 1894.
194. Ibid., 8 december 1894.
195. Ibid., 14 februari 1895.
196. DiEP, Dordrecht, Gen. Gest. voor Krankzinnigen, 22, inv. nr. 50, Memorie van J.J. Haver Droeze, houdende de redenen van het verzoek tot eervol ontslag als 2e geneesheer; met afschriften van brieven, 1895.
197. Ibid.
198. Ibid.
199. DiEP, Dordrecht, Gen. Gest. voor Krankzinnigen, 22, inv. nr. 14-3, Missive van de opzichteres L.C. Wickel aan de gemeenteraad met verzoek om instelling van een onderzoek naar de toestand in het gesticht (afschrift), 15 mei 1895.
200. NL-HaNA, Isp. Staatstoezicht Krankzinnigen, 2.15.40, inv. nr. 61, Ingekomen en minuten van uitgaande stukken 1895.
201. DiEP, Dordrecht, Gen. Gest. voor Krankzinnigen, 22, inv. nr. 35, Verslag betreffende den toestand van het Geneeskundig Gesticht voor Krankzinnigen te Dordrecht, over het jaar 1895.
202. DiEP, Dordrecht, Gen. Gest. voor Krankzinnigen, 22, inv. nr. 35, Verslag betreffende den toestand van het Geneeskundig Gesticht voor Krankzinnigen te Dordrecht over het jaar 1896.
203. DiEP, Dordrecht, Gen. Gest. voor Krankzinnigen, 22, inv. nr. 14-3, Ontslagaankondiging van dr. M. B. Romeny, 24 augustus 1897.
204. NL-HaNA, Isp. Staatstoezicht Krankzinnigen, 2.15.40, inv. nr. 63, Ingekomen en minuten van uitgaande stukken 1897.
205. DiEP, Dordrecht, Gen. Gest. voor Krankzinnigen, 22, inv. nr. 7, Notulen van de vergaderingen van regenten van het Geneeskundig Gesticht voor Krankzinnigen, 1 juli 1895.
206. Ibid., 20 september 1897.
207. Ibid., 18 oktober 1897.
208. Ibid.
209. DiEP, Dordrecht, Gen. Gest. voor Krankzinnigen, 22, inv. nr. 14-3, Stukken betreffende het ontslag van dr. Romeny en het principebesluit tot liquidatie van het gesticht, augustus-november 1897.
210. ‘Plaatselijk nieuws’, Dordrechtsche Courant, 30 december 1897.
211. Ibid.
212. DiEP, Dordrecht, Gen. Gest. voor Krankzinnigen, 22, inv. nr. 14-3, Missive van de inspecteurs aan B & W betreffende de gebeurtenissen op 28 december 1897 en de rol hierin gespeeld door huismeester Nabal; met antwoord door regenten (afschriften), 13 januari 1898.
213. Ibid.
214. DiEP, Dordrecht, Gen. Gest. voor Krankzinnigen, 22, inv. nr. 7, Notulen van de vergaderingen van regenten van het Geneeskundig Gesticht voor Krankzinnigen, 27 januari 1898.
215. Ibid.
216. Ibid., 3 december 1897.
217. Ibid.




Copyright © Jan Jacob Mekes
Mekes Tekst