Het moet niet gekker worden: De Krankzinnigenwet van 1884 in Dordrecht



Krankzinnigheid: moeilijk te definiëren

Een eerste punt waarop de wet van 1884 al meteen afweek van die van 1841, betreft het weglaten van de definitie van het begrip ‘krankzinnigheid’. Artikel 1 van de Krankzinnigenwet van 1841 bevatte nog de volgende zin: ‘Onder krankzinnigen worden in deze Wet verstaan, allen, die van het geheel of gedeeltelijk vrije gebruik van hunne verstandelijke vermogens beroofd zijn.’5 De moeilijkheid van het definiëren van krankzinnigheid werd in 1884 door dr. F.M. Cowan, destijds geneesheer in het krankzinnigengesticht van Dordrecht, als volgt geïllustreerd: ‘Wanneer een mensch op een ijsschots te midden van het water staande zijne handen wringt en om hulp schreeuwt, zal het niemand invallen zoo iemand krankzinnig te noemen, maar wanneer die zelfde man geen gevaar te duchten heeft en toch diezelfde handelingen pleegt is er alle grond om aan psychische stoornis te denken. Wanneer een onopgevoede jongen beweert aan heksen te gelooven zal dit niemand verbazen, maar wanneer een zeer goed opgevoed man beweert onder magnetische of andere invloeden te staan, dan is dit een hoogst bedenkelijk verschijnsel.’6 Krankzinnigheid was dus niet zo gemakkelijk te definiëren als de wet van 1841 deed vermoeden.

In de memorie van toelichting op de nieuwe Krankzinnigenwet gaf ook de wetgever een reden om de definitie van het begrip krankzinnigheid weg te laten. Volgens de bestaande definitie namelijk, zo werd gezegd in deze memorie, ‘kan elk beschonken mensch, ieder die aan eene acute ziekte met ijlen lijdt, ieder die in drift is ontstoken, ieder die door vooroordeelen beheerscht wordt, in één woord ieder die, waardoor dan ook, in meerdere of mindere mate het gebruik zijner verstandelijke vermogens mist, tot de krankzinnigen worden gerekend’.7

Uit een jaarverslag van het Dordtse gesticht over 1882 blijkt dat het ook voor medici soms moeilijk was om vast te stellen in hoeverre iemand krankzinnig was. Dr. Van der Chijs, geneesheer aan het gesticht, schreef daarin over een patiënte bij wie ‘met het klimmen der jaren van de saillante punten, die het oorspronkelijk lijden kenmerkten, veel afgesleten was en de hartstochten meer tot kalmte gekomen waren, zoodat ze in het vervolg moeilijk anders dan als eene dwaze oude vrijster zou zijn te qualificeeren’.8 Van der Chijs stelde daarbij de vraag of het wenselijk was om bij een chronische aandoening te wachten totdat alle intellectuele en morele vermogens volledig hersteld waren, of de patiënt te ontslaan wanneer bleek dat hij of zij ‘zonder aanstoot of overlast’ terug kon keren in de maatschappij. In bovengenoemd voorbeeld koos Van der Chijs voor het laatste – hoewel noch volledig bij zinnen, noch volkomen krankzinnig, werd de patiënt ontslagen.9 Hierin schoot de definitie van krankzinnigheid uit de wet van 1841 weer tekort, omdat een gedeeltelijk herstel daarin niet werd genoemd.

Een ander treffend voorbeeld dat de onduidelijkheid aangeeft van de grens tussen krankzinnigheid en niet-krankzinnigheid, is beschreven door dr. Cowan, in zijn jaarverslag over 1890. Hij beschreef daarin een patiënt die aan hallucinaties leed. Na slechts een maand in het gesticht verpleegd te zijn geweest, verzocht de familie van de patiënt om diens ontslag, hoewel hij niet volledig was hersteld. Toen de huisgenoten van de man werd uitgelegd dat hij nog steeds aan hallucinaties leed, was hun antwoord: ‘Als hij daarom in het gesticht moest blijven, zou de geheele familie er in moeten, want ze zijn allen net eender.’10

De vraag doet zich nu voor of het weglaten van een definitie van krankzinnigheid ook heeft geleid tot meer duidelijkheid in de diagnose, zodat niet-krankzinnigen niet meer werden opgenomen. De bedoeling van het weglaten van die definitie was immers om het oordeel over de geestelijke gezondheid van kandidaat-patiënten aan de medici over te laten in plaats van aan de wetgever. Dit doet vermoeden dat mensen die slechts tijdelijk van hun verstandelijke vermogens waren beroofd – bijvoorbeeld door dronkenschap, koorts of een woedeaanval – en dus niet krankzinnig waren, niet meer door de mazen van het gesticht naar binnen zouden glippen.

Tussen 1885 en 1890 lijkt dit in Dordrecht ook inderdaad het geval te zijn geweest. Het gesticht berichtte aan de Inspectie voor het Staatstoezicht op Krankzinnigen dat in genoemde periode geen personen waren opgenomen die achteraf niet krankzinnig bleken.11 In de periode tussen 1891 en 1893 werden daarentegen wel twee personen opgenomen die niet krankzinnig bleken – beide hadden slechts enkele weken in het gesticht doorgebracht.12 Het weglaten van de definitie van krankzinnigheid in de nieuwe wet had derhalve niet tot gevolg dat er geen niet-krankzinnigen meer werden opgenomen, maar deze wetswijziging zorgde wel voor een verplaatsing van een gedeelte van het diagnoseproces. De geneesheer hoefde zich niet meer te laten leiden door een van bovenaf, door de wetgever opgelegde definitie van krankzinnigheid.

Bijzondere vermelding verdient hier nog het jaar 1897, het laatste volledige kalenderjaar waarin het gesticht actief was. Niet minder dan drie personen die achteraf niet krankzinnig bleken, werden in dat ene jaar in het gesticht opgenomen. Dr. M.J. van Erp Taalman Kip, de laatste geneesheer van het gesticht, nam zelfs de moeite om die drie gevallen nader te beschrijven, ‘omdat de leeken toch al zoo zeer geneigd zijn zich angstwekkende voorstellingen te vormen omtrent het gevaar, waaraan zij zouden bloot staan om in een gesticht te worden “opgesloten” zonder krankzinnig te zijn’.13 Uiteindelijk zou die angst ongegrond blijken, want bij de drie gevallen in kwestie was geen sprake van een onjuiste beoordeling door geneeskundigen van het gesticht.

De eerste patiënt, een jongen van 11 jaar, bleek niet te lijden aan krankzinnigheid, maar aan een gebrekkige opvoeding, die de reden was voor zijn lastige en gevaarlijke gedrag. Ook bij de tweede patiënt, een zeer inactieve man van 32 jaar, ontbrak de nodige ouderlijke tucht – hij bleek niet te worden aangespoord tot werken, en zowel hij als zijn vader beschouwde het gesticht vooral als een hotel, met goedkope kost en inwoning. Evenals de andere twee was ook de derde man, die eerder alcoholverslaafd dan krankzinnig was, door de huisarts doorverwezen naar het gesticht. Begrijpelijkerwijs schreef Van Erp Taalman Kip daarom ‘dat het meer dan wenschelijk is, dat den huisarts, die oordeelen moet over het al of niet bestaan van krankzinnigheid, het al of niet noodige van gestichtsverpleging, eindelijk de middelen worden aangeboden zich de daartoe noodige kennis te verschaffen, want gemakkelijk is die beslissing in de groote meerderheid der gevallen niet’.14 In deze drie gevallen speelde dus niet de wet, maar de onvoldoende kennis der huisartsen een rol.

<< Inleiding | Inhoudsopgave | Curatele en inbewaringstelling >>




5. Cowan, ‘De nieuwe wet’, 7.
6. Ibid.
7. DiEP, Dordrecht, Gen. Gest. voor Krankzinnigen, 22, inv. nr. 41, Ontwerp van wet, regelende het staatstoezicht op en de verpleging van krankzinnigen; met memorie van toelichting, 1881.
8. DiEP, Dordrecht, Gen. Gest. voor Krankzinnigen, 22, inv. nr. 33, Verslag van den toestand van het Geneeskundig Gesticht voor Krankzinnigen te Dordrecht, over het jaar 1882.
9. Ibid.
10. DiEP, Dordrecht, Gen. Gest. voor Krankzinnigen, 22, inv. nr. 35, Verslag betreffende den toestand van het Geneeskundig Gesticht voor Krankzinnigen te Dordrecht, over het jaar 1890.
11. DiEP, Dordrecht, Gen. Gest. voor Krankzinnigen, 22, inv. nr. 28, Antwoord op een brief van de Inspecteurs voor het Staatstoezicht op krankzinnigen, 1 november 1891.
12. DiEP, Dordrecht, Gen. Gest. voor Krankzinnigen, 22, inv. nr. 14-2, Brief van de inspecteur van het Staatstoezicht op Krankzinnigen, 29 mei 1894.
13. DiEP, Dordrecht, Gen. Gest. voor Krankzinnigen, 22, inv. nr. 35, Verslag betreffende den toestand van het Geneeskundig Gesticht voor Krankzinnigen te Dordrecht over het jaar 1897.
14. Ibid.




Copyright © Jan Jacob Mekes
Mekes Tekst